Home | Contact

200 jaar vrijzinnigheid

Jubileumviering NPB Hardinxveld-Giessendam en
VVP Schiedam
, 20 april 2010

We maken vanavond een tocht door het vrijzinnige verleden. Niet met de postkoets, maar helaas met de sneltrein, want er is erg veel over dat onderwerp te zeggen, waarvoor de tijd ontbreekt. Kijk maar mee uit het raam en wuif zo nu en dan! 

In de aankondiging staat '200 jaar vrijzinnigheid' en dan denken we er misschien bij: toen is het allemaal begonnen. Daarvoor was het allemaal barre orthodoxie en ineens ontstak de Verlichting ook een lampje bij de weldenkende gelovigen en ontstond er een totaal nieuw denken en geloven. Zo is het beslist niet gegaan. De tocht is door tunnels gegaan en over vlakke velden, maar ook via haarspeldbochten in een ongewisse situatie.

Katharen

Als we eerlijk willen zijn tegenover het verleden, moeten we uitgaan van de feiten en die wijzen er op dat de vrijzinnigheid (of liever ruimzinnigheid) in de brede opvatting van het woord eigenlijk al vroeg in de kerkgeschiedenis voorouders heeft gehad. Ze werden later gemakshalve ketters genoemd, dat zijn afstammelingen van de Katharen, een sekte die in de 12e en 13e eeuw in Oost-Europa veel opzien baarde. In de eerste eeuwen heeft de jonge kerk geleden onder de conflicten over wat later de kernen van het christendom werden genoemd. Die conflicten werden beslecht op de grote synodes, vanaf 325 n.Chr. gehouden, om de leer van de kerk vast te leggen en het kerkelijk leven te ordenen. 

De RK kerk meent, dat zij de laatste van de grote concilies heeft georganiseerd in 1963 onder Joh. XIII, dus claimt zij een rechtstreekse afstammeling van de vaderen te zijn, die zo’n kleine 1700 jaar geleden begonnen zaken vast te leggen voor altijd, aan te kleden met gezag en gehoorzaamheid af te dwingen met sancties. Vele tientallen kleine en grote bewegingen hebben in de loop van de eeuwen het hoofd moeten buigen, hebben zich afgesplitst van de kerk, werden vaak vervolgd, maar rond de grote Reformatie van de 16e eeuw kon de moederkerk het niet meer bij elkaar en droog houden.

Oerkernen van strijd

En waarover ging dat dan steeds opnieuw? Dat moet je allereerst bekijken, wilje  de vrijzinnigheid van de twee laatste eeuwen kunnen begrijpen. Er zijn vanouds enkele oerkernen van strijd geweest over zaken als:  De aard van de goddelijkheid van Christus. Was hij waarlijk helemaal of gedeeltelijk goddelijk en was hij gelijktijdig ook waarachtig en geheel mens? Men bedacht er de meest ingewikkelde formules voor. Ik geef een voorbeeld van de grote wijsgerige fantasie van die dagen. Die twee naturen van Christus, de goddelijke en de menselijke, waren onvermengd en onveranderd, ongedeeld en ongescheiden (Concilie van Chalcedon, 456). 

De tegenstanders, geestverwanten van de bekende Arius, die al in 325 veroordeeld werd, meenden dat Christus wel een bijzondere goddelijke vonk in zich had, geÔnspireerd was, maar hij was geen godheid, en samen met de Vader en de Geest vormde hij geen drie-eenheid. Een edel mens, een voorbeeld, een Meester, een leider, een onuitputtelijke inspiratiebron. Slachtoffer van zijn eigen roepingsbesef.

Tot vandaag de dag gelden die uitgangspunten nog in de RK kerk en ook in het orthodoxe protestantisme, dat eveneens de oude afstamming opeist. In de zogenaamde drie formulieren van enigheid, heeft de kerk van de reformatie zich na de synode van Dordrecht in 1618-1619 gebonden aan de leer van de reeks synodes. De PKN hangt die ook nog aan, zij het in wat minder harde en meer relativerende bewoordingen.

In elk geval moet duidelijk zijn, dat de zogenaamde reformatorische kerken zich als rechtstreekse afstammelingen beschouwen van de oude waarheid. Ik ontzeg hen altijd het recht zich exclusief reformatorisch te noemen in onderscheid van de vrijzinnigen bijvoorbeeld, want de reformatie van Nederland was veel breder dan een beweging van orthodoxie alleen. Erasmus, Coornhert, Arminius waren ook reformatorisch, als het gaat om verwijdering van de leer en de dominantie van de RK kerk. Doopsgezinden, Remonstranten, de latere NPB en VVH en de vele vrijzinnigen die in de NH kerk een plaats vonden, voelden wel degelijk verwantschap met de gedachten van de oude kerk, maar kenden die geen algemeen, zelfs goddelijk gezag toe. Daarom werden ze gedwongen zijstromen en zijpaden van de officiŽle kerk te worden.

Kernen van vrijzinnigheid

Wat zijn nu de kernen van wat wij nog steeds vrijzinnig noemen en die de laatste twee eeuwen op verschillende manieren tot ontplooiing zijn gekomen? Ik denk dan aan de volgende kernen:

1. Een grote drang tot vrijheid. Van de leer van de oude kerk, van de dogma’s (vrijzinnig is eigenlijk dogmaloos, hoewel er soms nog vrijzinnigen rondlopen die erg dogmatisch denken). Vrijheid van leven (geen betuttelarij door de kerk of de geestelijkheid), vrijheid van geloven (niet formule- of traditie- gebonden).

2. Vrijzinnig denken legt de nadruk op de humanistische aspecten van het geloof (De Graaf). Eerder de Bergrede dan het dogma van de zonden - verzoening door het bloed van Christus op Golgotha. Eerder een open openbaring, dan een gesloten, alleen te vinden in een superieure Bijbel die van kaft tot kaft waar moet zijn.

3. De gelovige is autonoom, staat naast de bijbelschrijvers, niet eronder. De theologie bestudeert niet God zelf, maar de gelovige mens. De Bijbel is niet de enige bron van openbaring. De geschiedenis van IsraŽl is ook niet heilig en bijzonder. De God van IsraŽl is niet de enige en ware. Wel de God die communicatief gezien het dichtst bij ons in de buurt gekomen is.
Alle godsdiensten kennen inspiratie, in alle geloven is de vonk van de geest aanwezig. Er bestaat niet een godsdienst die waar is, tegenover alle andere die vals zijn. De christen moet zich niet afsluiten van de cultuur, van de politiek, geen isolement betrachten, maar deelnemen aan het leven.

4. De mondige mens heeft geen keurslijf van leer of kerk nodig, leest de Bijbel als religieus boek, maar dan van gewone mensen, op honderden plaatsen zichzelf tegensprekend en als een van meerdere religieuze boeken, zoals de Koran. Vrijzinnigheid kent een open moraal, is liberaal van aard, kent in principe geen ambten, organiseert zich meestal congregationalistisch, dus in verenigingsverband.

De Modernen

Natuurlijk heeft de vrijzinnigheid een enorme ontwikkeling doorgemaakt door de Verlichting. Dat is de uittocht van de mens uit zijn onmondigheid, die hij zich door het geloof heeft laten opleggen. Het verstand is de raadgever, de rede, en die rede regelt ook de zede, de moraal. Er is vrijheid van denken, gebonden door de naastenliefde en het respect voor het geloof van de ander.

In Nederland zijn er veel theologen geweest die later gerekend werden tot de Modernen. De moderne theologie werd een begrip. Ik zal u alle namen besparen, maar u kent Opzoomer nog wel, de man die de NPB oprichtte (1870). De opvoeder, die geloofde in de vroomheid gekoppeld aan de deugdzaamheid. 'Jantje zag eens ...’. Voor hem was geloven een proces van geestelijke vorming. God was voor hem de grond onder alle dingen en de verscheidenheid in alle dingen. Het religieuze gevoel stond bij hem centraal. Verwantschap met de vrome en bevindelijke Oud- Gereformeerden!

Soms maakten de extreme vrijzinnigen het erg bont: 'Geen kerkdienst wegens ijsvrij'. En wat denkt u van dit gezang uit de Herv. bundel:

Stedelingen looft den Heer,
hoopt op de oude welvaart weer
Voor den koopman druk vertier,
Nering voor den winkelier.

Gezang 177.

Het was de leer van de deugd, de vooruitgang, de braafheid, het in stand houden van het vertrouwde en het goede, het oude gezag van de regenten en dat alles onder de leiding van de goede God.

Men had niet veel op met wonderen, men sprak liever over een inwonende God die liefde was, niet over een externe, verre en toornende God, die de geschiedenis leidde, de uitverkiezing had bedacht, de voorzienigheid gestalte gaf.

Groningers

Beroemd zijn de zogenaamde Groninger theologen geworden: Hofstede de Groot, Pareau, Chantepie de la Saussaye. Niet helemaal strak vrijzinnig, maar wel predikers van de gemoedelijkheid, het warme geestesleven. Gunning! Irenisch leven, een praktisch geestelijk leven onder de hoede van de goede God. In het oosten van het land kreeg die stroming veel aanhang. Ze was zeker anti-Calvinistisch, veel meer op de Duitse theoloog Schleiermacher afgestemd, die eens het geloof een schlechthinniges AbhšngichkeitsgefŁhl had genoemd.

God is een god van liefde, eerder een vader dan een toornende God. Hij beheerst de schepping, schuilt in de orde van de natuur, het ritme van de tijd, droogte en regen geeft hij en aan het einde van ons leven maakt hij het goed met alle mensen. Geen duivel, wel duivelsachtige menen, geen hel die anders is dan de hel waar sommige mensen in moeten leven. Vaderarmen van ons op, een zuivere vangnettheologie.

Die Groningers deden sterk denken aan de Moderne Devotiebeweging van de vijftiende eeuw, een lekenbeweging in de RK kerk met voormannen als Geert Groote en Thomas a Kempis. Eenvoud, soberheid, ingetogen leven, het goede doen voor anderen, dienstbaarheid, maar geen dogma. Wel een collatie, een samenspraak, waarin je elkaar rekening aflegde van je geloof. Het gaat niet om het geloof van het verstand, maar geloof voor het hart.

Leermeesters

De vrijzinnigheid heeft grote leermeesters gehad. Ik noem Scholten, de man die eens dominee was in Meerkerk, later professor in Leiden. Men zegt wel eens dat bij hem het zogenaamde Modernisme begon (1840). De vrijzinnigheid die in de negentiende eeuw een grote storm deed opsteken in de kerk. Hij en zijn kompanen waren sterk beÔnvloed door de Duitse Bijbelgeleerden als Strauss, die een opzienbarend boek schreef over de Leben Jesu Forschung, waarin een heel ander Jezusbeeld werd gepresenteerd dan gebruikelijk was in de kerk. Grote delen van de NH kerk werden vrijzinnig, denk aan Noord-Holland, Drenthe, delen van Gelderland.

Die vrijzinnigheid vormde geen eenheid. Ook de keuze voor kleine nieuwe kerken of blijven in de grote kerk scheidde de vrijzinnigen van de 19e eeuw.

Tenslotte hebben we de tweede generatie vrijzinnige voorgangers en denkers: Roessingh en Heering, die wel een rechtsvrijzinnig worden genoemd. Ik sta even stil bij de vroeg gestorven Roessingh. Hij heeft grote invloed gehad binnen de vrijzinnigheid. Zijn naam is voorgoed gebonden aan de beweging van de Woodbrookers. Hij betekende veel voor de studentenverenigingen, de vorming en toerusting van de vrijzinnigen. Schweitzer was een van zijn voorbeelden. Hij legde grote nadruk op persoonlijk vroomheid, zoals bedoeld door Schleiermacher.
In mijn generatie waren er andere leiders: Banning, Werner, Hannes de graaf, A. van Leeuwen. We luisterden naar de buitenlandse leermeesters: Tillich, bisschop Robinson, en Havey Cox.

En nu?

En waar gaat het naar toe met de vrijzinnigheid?

De aantallen vrijzinnigen blijven op z’n best stabiel. Soms is er groei in de afdelingen van de NPB en de VVP.

De slagkracht van de vrijzinnigen was en is nog steeds gering. Ze laten zich alles aanleunen: de NPB moet uit de Raad van Kerken, de vrijzinnigen moeten de kerk uit! En dat door een kerk die vanouds een onderdak is geweest voor alle stromingen binnen het Nederlands protestantisme!

Er zullen meer allianties moeten komen met andere groepen die verwant zijn. Geen fusies! Er zullen projectmatige samenwerkingsverbanden komen.

En nog veel meer! Gewoon doorgaan, gewoon veranderen. Alleen geloof dat verandert en nieuwe vormen zoekt, heeft toekomst!

Dr. Anne van der Meiden


HOME | CONTACT | HTML | CSS | © 2010 Wendelcom |