Home | Contact

Archief

Calvijn: identiteit en imago; een raamwerk in 11 statements


31 maart 2009

Spreken we over het imago van Calvijn en het calvinisme, dan is het verstandig een bril op te zetten die een onderscheidend effect biedt. We kunnen moeilijk spreken van hét imago van het calvinisme. Dat bestaat niet. Er is een zwaarwegend verschil tussen enerzijds een bij aanhangers beleefd en geclaimd imago en anderzijds bij waarnemers en toeschouwers toegekend - of gegund - imago. Er is ook een verschil tussen een structureel imago (meetbaar) en een incidenteel imago (gekoppeld aan incidenten). Dat laatste is bij Calvijn bijvoorbeeld het geval inzake de veroordeling van Servet en de verbanning van Castellio. Er is een onderscheid tussen langlopende imago’s op een laag pitje en kortlopende imago’s. En ten slotte is er een verschil tussen door trouwe aanhangers exclusief geclaimde imago’s en door toeschouwers ’verdunde’ imago’s.

Al die verschillende imago’s kan men in de laatste tijd in de lectuur over Calvijn aantreffen. Dus: alles hangt af van degene die spreekt en schrijft en degene die hoort en leest. Altijd blijven er onduidelijke en onware imago-satellietjes rondcirkelen. Dat brengt voor mij de waarneming van Calvijns leven en werk tot blijvende verlegenheid. Hij heeft veel gezichten. En daar is niets mis mee.

1 Nederland is nooit een compleet calvinistische natie geweest. Het calvinisme heeft zich vooral in West-Nederland, Zeeland en het Sticht genesteld. Oost-Nederland bijvoorbeeld bleef lang katholiek en het protestantse volksdeel werd daar kerkelijk sterk beïnvloed door de latere Groninger School, die het calvinisme als vreemd en uitheems afwees en naar een geloofsovertuiging zocht die paste bij een gemoedelijke streek en volkscultuur.
In vele delen van Nederland is het calvinisme niet spontaan ontstaan maar gedropt, begeleid door gezag en macht.

2 Een identiteitsfactor van Calvijn die met name theologen aanspreekt, is zijn grote theologische constructievermogen. Naast zijn diploma’s juristerij en theologie, lijkt hij een studie constructiebouw te hebben gevolgd. In dat opzicht kreeg hij In de dogmageschiedenis vele navolgers: het gereformeerde volksdeel hield van helderheid in de leer en van duidelijke verwijdering van ketters.

3 Het Nederlandse volkskarakter, hoe dan ook samengesteld, heeft belangrijke injecties ondervonden van de Moderne Devotie, Thomas van Kempen, Erasmus, Wessel Gansfort en Coornhert: eenvoudig, praktisch (humanistisch) christendom zonder leerconstruties, gematigdheid, praktische vroomheid en tolerantie.

4 In Nederland is het Calvinisme sterk gekleurd door de Nadere Reformatie (17e-18e-eeuw) en daardoor tevens in- en bijgekleurd door (meer doperse dan calvinistische) bevindelijke vroomheid. In die kringen is kritiek op de Calvijn van Genève niet ongebruikelijk. In ultra-orthodoxe groeperingen vond men dat Calvijn er wel wat licht overheen ging, als het bijvoorbeeld ging om de orde des heils.

5 Opvallende, zwakke imagoaspecten van Calvijns denken en werken zijn volgens recente literatuur: de gezagskwesties: schriftgezag, leergezag, tuchtgezag, intolerantie t.o.v. andersdenkenden, zwakke besluitvorming, nodeloze strengheid. Zijn visie op de predestinatie, het decretum horribile, heeft Calvijn’s imago veel bitterheid bezorgd. Maatschappelijk/politiek gesproken was Calvijn geen moderne kapitalist, maar in zijn imago heeft die gedachte wel degelijk post gevat. Het kapitalisme wist zich gesteund door zijn arbeidsethiek van ijver, eerlijkheid, soberheid en arbeidzaamheid (Weber). Een interessante imagovraag: zou hij ooit de coöperatie hebben kunnen uitvinden?

6 Vele huidige gelovigen vinden de discussie over Calvijn een soort non-discussie. Dat past in de huidige ’who cares’-mentaliteit en de zeer brede, stille, vreedzame loslating en ontsokkeling van traditioneel geloven. Kerken begrijpen niet goed dat fundamenten van de boodschap evenzeer in discussie zijn is als de vormgeving. Rechthaberei is een onverkoopbaar product geworden. Calvijn is als waarheidsclaimer voorbij, zijn imago gestold en de beleving van zijn doctrine over het algemeen tot negatieve associaties gereduceerd. Bewonderd wordt hij alleen nog in orthodox-gereformeerde kringen, maar het is die vraag of die bewondering op kennis en affiniteit stoelt, of op ’van horen zeggen’ en op vrome traditie. Daarbuiten is zijn imago verwaterd tot strengheid, eigenwijsheid, vreugdeloosheid, bemoeizucht en zedenmeesterij.

7 De eerlijkheid gebiedt te zeggen dat het zogenaamde calvinisme van onze dagen, vooral internationaal gezien, een smeltpot is van soms moeilijk onverenigbare resten van de oude leer. Zo komt althans het beeld bij mij over. Ik meen dat alleen in Nederland tientallen namen van geloofsgroeperingen het woord gereformeerd gebruiken. En je nieuwe gebouw Calvijn noemen, staat nog steeds goed.

8 Als ik kiezen moet tussen Het Koninkrijk Gods en de samenleving van mijn habitat, mijn leefomgeving, kies ik voor de laatste, omdat ik die samenleving beschouw als het naar mij toegewende koninkrijk, waarin ik wonen kan en wennen mag. Ik kan mij niet voorstellen dat mijn habitat het Koninkrijk Gods in de weg staat. Calvijn ’woont’ naar mijn gevoel in een andere habitat, werd gevoed door een ander mycelium, dat mij vreemd is.

9 In het imago van het calvinisme blijft voorgoed de enorme gestalte van de neocalvinist A. Kuyper voor die van Calvijn staan. Door zijn bril kijken velen op Calvijn terug. Kuyper is een sterke imagodrager van Calvijn geweest, maar tevens zijn belangrijkste opposant in ons land. Maar ook voor hem geldt: wie was hij eigenlijk en ’who cares’ (nog).

10 In recente literatuur zocht ik vergeefs naar uitkomsten uit een comprehensive, multidisciplinair onderzoek naar de invloed van het calvinistisch gedachtengoed en zijn invloed op onze samenleving. Zonder rekening te houden met imagowetmatigheden en met wetten van de communicatie-infrastructuur van ons land, leidt zo’n onderzoek tot cyclisch onanistisch navelstaren. We moeten bijvoorbeeld toch echt eens weten waarom het calvinisme nooit een volksbeweging is geworden.

11 Als kinderen van een streng bevindelijk –gereformeerde lagere school werd ons bijgebracht wat het verschil was tussen ons en de School met de Bijbel. De kinderen daar dachten dat ze al een nieuw hart hadden, wij moesten geloven dat we het niet hadden, maar wel krijgen konden. Dus trokken wij na vieren ten strijde tegen de verzekerden, om vervolgens gezamenlijk tegen de RK Jongensschool te vechten: dat was de ware oecumene.

 

Dr. Anne van der Meiden


PS Mijn grootvader, 40 jaar ouderling in de Chr. Geref. Kerk, heeft eens een berisping gekregen van de kerkenraad, toen hij bij het preeklezen een slechts twintig minuten durende paaspreek van Calvijn bleek te hebben voorgelezen. Dat gaf geen pas.

 

Nageslagen:
H.J.Selderhuis, Calvijn, een mens, 2008

J. van Nijnatten en F. van Lieburg: Nederlandse Religiegeschiedenis, 2008

Stefan Zweig, Castellio tegen Calvijn, 1936

M. van Veen: Calvijn is niet de stichter van het calvinisme, in: Volzin, 19 januari 2009

P.J. Balkenende, Dit land dankt zo veel aan Calvijn, in: Trouw, Verdieping, 10 januari 2009.


HOME | CONTACT | HTML | CSS | © 2010 Wendelcom |