Home | Contact

Frailty ... Hoe voelt dat?

Over de beleving van het verval van krachten 


Lezing gehouden voor het Slingerland Ziekenhuis te Doetinchem op 26 januari 2012

Zal ik de vraag, hoe de frailty mij bevalt meteen maar beantwoorden? Heel goed, dank u. Maar daar neemt u geen genoegen mee. U wilt  als ervaringsdeskundige natuurlijk wel een beetje leed zien en horen, anders was uw tocht hier naar toe vergeefs en ik doe mijn uiterste best daaraan te voldoen. Nou goed dan, weet u hoe frailty voelt: vreselijk, maar met zilveren randjes.

Om te beginnen: in mijn jeugd was het woord frailty niet bekend en broos ook niet. Daar was een heel andere uitdrukking voor. Ik hoor het ze nog zo zeggen, die oude mensen in mijn kinderjaren: ‘Hoe gaat het met je?’ ‘Ach, ja, wat zal ik zeggen: verval van krachten, hŤ?’ En als vader met een doodsbericht thuiskwam en moeder vroeg aan tafel ‘Wat heeft hij nou eigenlijk gemankeerd’, hoorden we die magische uitspraak opnieuw: ‘Ach ja, verval van krachten.’ Hij of zij was al vijfenzeventig, moet je niet vergeten en dat was 75 jaar geleden redelijk stokoud. 

De uitdrukking sloeg duidelijk op een heel pakket van afbraakverschijnselen, waaruit moeilijk een enkele kwaal duidelijk te isoleren viel. Als theoloog kwam ik later de prachtige, dichterlijke frasen tegen uit Prediker 12, waarin volgens de toen geldende exegese sprake was van de afbraak van het menselijk lichaam. Met schitterende beelden wordt die afbraak beschreven en ik heb besloten om dat stuk vanmiddag eerst maar voor te lezen. Commentaar voor eentaligen krijgt u er gratis bij.

Kort door de bocht: als je ouder wordt, worden je ogen minder, de deuren naar de straat worden gesloten: doofheid. De bewakers van het huis beven: je trillende handen, als je oud wordt, ga je krom lopen. Het geluid van de maalsters wordt nederig: je tanden geven het op, je wordt bang de weg over te steken, de oude middeltjes helpen niet meer, je haar wordt wit als de bloesem van de amandelboom. Maar het eind laat geen twijfel bestaan: zeker, allemaal waar, want de mens gaat naar zijn eeuwig huis en de rouwklagers gaan rond in de straat. 

Broos

Jongere uitleggers wijzen die uitleg af en mijn dochter, die predikant is, berispt mij, dat ik die oude uitleg nog hanteer, maar ik ben daar doof voor. Daar heb je het. Ik voel frailty soms heel goed als het nodig is, als ik er profijt van heb. Ik ben ook te broos om die ommekeer in de uitlegging mee te maken, omdat ik bang ben voor breuk. Want dat woord breuk is met broos verwant. En met bros, breekbaar. Kent u ze nog, die brosrepen? Ze leken aardig volumineus, maar even zuigen en je wist het: het meeste was lucht, die in kleine belletjes schuilging in de reep. 

Terug naar het verval van krachten. Ook de dokters wisten niet altijd precies wat je naar het einde sleepte, maar duidelijk was wel dat een of meer onderdelen van het lichamelijk apparaat het opgaven, misschien wel in samenwerking met elkaar. En dat verband kenden we niet. In de eerste helft van de vorige eeuw was er een Duitse socioloog, LiliŽnfeld, die beweerde dat het menselijk lichaam model stond voor - en zelfs een afspiegeling was van - alle communicatie in de wereld, ook in organisaties. Ga er even vanuit dat je lijf EEN groot systeem is, dat afhankelijk is van subsystemen. Die subsystemen zijn de organen. Wat je er ook allemaal van zeggen wilt, ze zijn interactief, helpen elkaar, kunnen zonder elkaar niet afzonderlijk bestaan, dus zijn het subsystemen die dank zij hun communicatie functioneren en samen het lijf in stand houden. De hand kan tegen de voet niet zeggen: ik heb je niet nodig. Maar bij frailty gaan de onderdelen ook steeds losser van elkaar functioneren. Het ene deel gaat sneller stuk dan het andere. Sommige delen worden zelfs op eigen manier eigenwijs. Dat beeld van het lichaam kun je ook toepassen op een bedrijf, een school, een ziekenhuis en een kerk. 

Op geregelde tijden bel ik mijn oude vriend in Canada, de enige nog levende van de groep vrienden. We zuchten dan eerst een minuut lang al onze kwalen door de lijn, en onze conclusie is altijd dezelfde: ‘verval van krachten’, al slaat dat nergens op. Maar het is de kern van de beleving van de frailty, grotendeels berustend op ervaringen van hinderlijke storingen, tekortschietende organen, die een mens een stuk machtelozer maken, maar die zich niet laten weg-ontkennen. ’t Wordt minder, jazeker, maar waar loopt dit op uit? 

Maar we vinden samen wel, dat anderen eigenlijk het recht niet hebben die mooie uitdrukking, verval van krachten’ te gebruiken. Die is van ons, eigendom, geladen door meer dan tachtig jaar ervaringen, doordesemd met het trotse gevoel dat we het gehaald hebben. Ik wil hier ook even bijzeggen, dat ik frailty als onvervreemdbaar eigendom beschouw. Het is mijn eigen broosheid en ik heb recht op erkenning daarvan.

Bevinden

Soms denk ik dat er fases in de bevinding van de broosheid zitten. Ik gebruik bewust het woord ‘bevinding’, want dat is onzekerder dan ‘kennen’, weten aan te wijzen. Bevinden is ‘empfinden’, kennisse, een dieper gelegen laag van kennen, gebaseerd op ervaring en in de eerste fase ervaar je inderdaad op een gegeven moment de eerste verschijnselen van frailty. Hoopvol geef je toe dat je vader dat ook had toen hij zo oud was als jij. En opa zeker ook. 

In de tweede fase ervaar je afwijkingen die nieuw zijn in het familiepakket. Je bent dus bezig een eigen compositie van frailty op te bouwen. Tevergeefs zoek je bij oudere broers en zusters naar dezelfde verschijnselen en als dat inderdaad klopt, vreest een mens onheilspellende ontwikkelingen. Die worden in de derde fase onderstreept door de voor allen zichtbare openbare ongemakken bij het zien, het lopen, bij eten, slapen en herinneren. Ook daarvan herken je bij vrienden en familieleden wel equivalenten, maar je lijf wil zich kennelijk onderscheiden en maakt er een paar aparte gebreken bij.

Laten we dat fake-frailty noemen, die louter en alleen een imaginaire kracht heeft. Het praktische en enige nut daarvan is, dat je in gezelschappen deze bijzondere gebreken naar voren kunt schuiven, in de zekerheid dat er geen andere aanwezigen zijn die kwalen kunnen claimen. Je hebt wat bijzonders en dat kan respect afdwingen. Een arglistig mens als ik maakt er soms ook gebruik van. Je merkt dat er over je kwaal door anderen onderling over gesproken wordt en je kunt er op z’n tijd gebruik of zelfs misbruik van maken. Nee, dat kan ik niet meer. Ja, dat gaat nog wel, maar ik heb wel hulp nodig. Dat is een aardige kant van de frailty. Je kunt deals maken met je kwetsbaarheid, je voordeel er mee doen en je hoeft door je kwalen niet meer aan alles deel te nemen, waar je vroeger al een hekel aan had. Dat is geen bedrog, maar een poging tot plezierige verlenging van het leven.

Biej wieze van sprekken

Maar intussen: wat gebeurt er geestelijk met je? Kan de frailty ook in je geloof of overtuiging toeslaan? In je politieke keuzes, in je moraal? In je bejegening van de medemens? Is er geestelijk en sociaal dus ook een soort frailty, een verval van krachten? Ik denk het wel. Vraag het oude mensen en ze zeggen: ik wordt onzekerder, ben eerder van slag, sneller aangeraakt en ontdaan, ik voel angst om te verliezen, in te leveren. Wat me vroeger zo zeker voor ogen scheen, moet ik leren relativeren. Je wordt kwetsbaarder in de kinderen en de kleinkinderen. Bang voor onregelmatigheden, afwijkingen van het gewenste. Maar ook kweekt het verval van krachten een snaakse nieuwsgierigheid naar hoe het afloopt met je leven. Hoe dat afscheid gaat zal. Toen mijn opa de vijfentachtig naderde werden zijn eikenhouten zekerheden ingeruild voor wijze relativeringen. Ook over geloofszekerheden begon hij anders te spreken en dat heb ik later leren samenvatten in de bekende uitdrukking: alles werd voor hem biej wieze van sprekken. Hij leefde bij wat hij hoorde spreken in zijn taal en omstandigheden. God spreekt niet iedereen toe in dezelfde taal, maar heeft voor ons allemaal een wieze van sprekken, voor elk van ons beschikbaar. Wat je op je oude dag nog gelooft is niet een zielig restje van de grote zekerheden van vroeger, maar een nieuwe zekerheid van andere aard, in elk geval bros, net als die reep. Maar de smaak is goed. 

Er is nog iets: wie in de wereld van de frailty terechtkomt, gaat zich een eigen Habitat scheppen, een eigen domein van denken, oordelen en beleven. Hij leert ook dat terrein af te bakenen, en kenmerken daarvan voor zichzelf op te eisen. Hij krijgt een ander mycelium, een stel andere wortels en zuigt andere sappen op. Zo ‘beleven’ we de oude dag, soms met weemoed om verloren krachten, soms met dankbaarheid voor wat je ogen zagen en je handen konden doen, soms met een vriendelijke hoop dat wat wij God noemen het goed met ons maken zal. We kunnen de zaak in ons leven totaliter verprutsen, maar nooit finaliter. Oud worden maakt milder en vergroot de hoop op een finaal vangnet. Het is niet helemaal kommer en kwel om oud te worden. Broos is ook een manier van dragelijk leven.

 Anne van der Meiden

HOME | CONTACT | HTML | CSS | © 2010 Wendelcom |